Veertig jaar APKI: ‘Zonder onafhankelijkheid is Curaçao niet werkelijk geëmancipeerd’

Foto: Gilbert 'Gibi' Bacilio pa het Tula-monument

Gibi Bacilio hekelt gebrek aan visie en leiderschap, hij wil Nederlandse herstelmiddelen gebruiken om Curaçao voor te bereiden op zelfstandigheid.

APKI-voorzitter Gibi Bacilio maakt na veertig jaar historische bewustwording een harde balans op. APKI staat voor Vereniging Promotie Historische Bewustwording. Curaçao heeft volgens hem weliswaar stappen gezet in de erkenning van Tula en de strijd tegen slavernij, maar de diepere emancipatie van de bevolking is uitgebleven. Armoede, een tekortschietend onderwijssysteem, achtergestelde wijken en wat hij ‘mentale armoede’ noemt, zijn volgens Bacilio symptomen van een samenleving die onvoldoende weet waar zij vandaan komt en waar zij naartoe wil.

Zijn kritiek richt zich nadrukkelijk ook op het Curaçaose leiderschap: waar Tula visie, missie, strategie en het vermogen had duizenden mensen te mobiliseren, ontbreekt volgens hem die richting bij opeenvolgende regeringen. Nederland heeft vanwege het slavernijverleden een verantwoordelijkheid om herstel mede mogelijk te maken, stelt hij, maar Curaçao moet ook zelf een plan maken en bepalen wat het wil herstellen. Uiteindelijk trekt Bacilio een verdergaande conclusie: werkelijke emancipatie betekent voor APKI  onafhankelijkheid.

Asosashon Promoshon Konsenshi Historiko (APKI) bestaat dit jaar veertig jaar. Een jubileum dat samenvalt met de jaarlijkse herdenking van Dia di Lucha pa Libertat (De Dag van de Strijd voor Vrijheid) op 17 augustus. Voor vanavond heeft APKI een uitgebreid programma opgesteld in Parke Lucha pa Libertat (het Vrijheidspark) bij Rif. Het programma begint met cultureel-historische videopresentaties, gevolgd door de officiële opening met muzikale begeleiding, een spirituele reflectie en het nationale volkslied. Daarna volgt een publieke dialoog en een muzikale afsluiting.

Maar voor Gibi Bacilio is er weinig aanleiding om alleen feestelijk terug te kijken. Want, na vier decennia historische bewustwording dringt zich een ongemakkelijke vraag op: hoeveel heeft Curaçao werkelijk geleerd van Tula en de andere vrijheidsstrijders als het eiland volgens APKI nog steeds worstelt met afhankelijkheid, armoede, gebrek aan historisch bewustzijn en leiders zonder duidelijke visie op de toekomst?

Van 17 augustus tot erkenning van Tula

APKI kan volgens Bacilio wel degelijk een reeks concrete resultaten overleggen. De organisatie, opgericht op 12 maart 1986, was betrokken bij het proces waardoor 17 augustus officieel werd uitgeroepen tot Dia di Lucha pa Libertat. Daarna bleef zij aandacht vragen voor niet alleen Tula, maar ook andere deelnemers aan de opstand van 1795, onder wie Bazjan Karpata, Pedro Wacao en Luis Mercier.

Vier decennia lang organiseerde APKI herdenkingen, symposia en bezoeken aan buurtcentra, gaf lessen op scholen, werkte mee aan boeken en organiseerde historische theaterfestivals. Ook noemt Bacilio de totstandkoming van Parke Lucha pa Libertat en het monument Desenkadená als tastbare verworvenheden.

Een belangrijke doorbraak ligt volgens hem bovendien in de veranderde houding van Nederland tegenover het slavernijverleden. De toenmalige Nederlandse premier Mark Rutte (VVD) bood op 19 december 2022 namens de Nederlandse regering excuses aan. Koning Willem-Alexander volgde op 1 juli 2023. Voor Bacilio is eveneens van grote betekenis dat Tula, die op Curaçao al eerder als nationale held was erkend, in 2023 ook binnen het koninkrijk eerherstel kreeg.

Gilbert ‘Gibi’ Bacilio met oud-staatssecretaris Alexandra van Huffelen bij het Tula-monument

Dat zijn historische overwinningen. Maar juist na die erkenning wordt volgens Bacilio de volgende vraag onontkoombaar: wat doet Curaçao zelf met die geschiedenis?

De achterstand is niet verdwenen

Bacilio spreekt onomwonden over retraso: achterstanden die volgens hem generaties lang zijn blijven bestaan. Hij wijst op onderwijs waarin de eigen geschiedenis en cultuur volgens hem onvoldoende structureel zijn verankerd. Jongeren zouden daardoor te weinig weten over de oorspronkelijke bewoners van Curaçao en figuren als Medardo de Marchena en Amador Nita.

Voor Bacilio gaat dat veel verder dan een gebrek aan historische feitenkennis. Wie niet weet waar hij vandaan komt, kan volgens hem moeilijk begrijpen waar hij staat en waar hij naartoe wil. Daarom pleit hij ervoor de eigen geschiedenis en cultuur vanaf jonge leeftijd verplicht onderdeel van het onderwijs te maken.

Ook de staat van wijken ziet hij als onderdeel van dezelfde achterstand. Terwijl goed onderhouden woongebieden bestaan voor mensen die het financieel beter hebben, zijn er volgens hem wijken waar wegen, woningen, infrastructuur en buurtvoorzieningen achterblijven. Een kind dat daar opgroeit, begint volgens Bacilio niet vanuit dezelfde positie.

En ondanks jarenlang beleid is ook armoede niet verdwenen. Bacilio stelt vast dat Curaçao er al jaren over praat, terwijl cijfers volgens hem blijven aantonen dat het probleem niet fundamenteel is opgelost.

‘Mentale armoede’

Nog scherper wordt Bacilio wanneer hij spreekt over wat hij mentale armoede noemt. Daarmee bedoelt hij niet simpelweg een gebrek aan opleiding. Het gaat volgens hem om mensen die onvoldoende zijn gevormd en daardoor niet beseffen wat ze niet weten, gemakkelijk afhankelijk worden, zich moeilijk kunnen verdedigen en weinig eigenwaarde ontwikkelen.

“Enseñansa, sistema edukashonal, ta e yabi pa atendé ku pobresa mental, no tin otro”, stelt hij: het onderwijs is volgens hem de sleutel om mentale armoede te bestrijden. Maar die verantwoordelijkheid begint niet pas op school. Ook ouders moeten worden bereikt, omdat ouders die zelf onvoldoende kennis en vorming hebben die moeilijk aan hun kinderen kunnen doorgeven. Daarom pleit Bacilio opnieuw voor volwasseneneducatie.

Het is een harde diagnose na veertig jaar APKI. De organisatie heeft geschiedenis zichtbaar gemaakt, monumenten helpen realiseren, herdenkingen georganiseerd en erkenning afgedwongen. Maar historische erkenning blijkt nog iets anders dan maatschappelijke emancipatie.

Tula wist wel waar hij naartoe wilde

Precies daar maakt Bacilio de vergelijking met Tula. Hij verzet zich tegen verhalen die Tula neerzetten als iemand van buiten Curaçao. Volgens Bacilio wijzen de beschikbare gegevens erop dat Tula op Kenepa opgroeide. Door zijn mobiliteit op het eiland, kwam hij in aanraking met informatie over ontwikkelingen op Curaçao, in het Caribisch gebied en daarbuiten. Hij wist van de Franse Revolutie en de vrijheidsstrijd in Saint-Domingue (de vroegere verzamelnaam voor nu Haïti en de Dominicaanse Republiek).

Maar kennis alleen maakte hem volgens Bacilio geen leider. Tula had visie. Zijn doel was helder: vrijheid. Hij had volgens Bacilio daarnaast een missie, strategie, doorzettingsvermogen, spiritualiteit en medemenselijkheid. En bovenal kon hij mensen overtuigen en mobiliseren: een beweging die met tientallen begon, groeide uiteindelijk uit tot duizenden deelnemers.

Daarmee houdt Bacilio de huidige Curaçaose politiek een weinig flatterende spiegel voor. “Nos falta pues lider ku vishon”, het ontbreekt ons aan leiders met visie, zegt hij.

Volgens hem ontbreekt het niet alleen de huidige regering, maar ook eerdere regeringen aan een samenhangende visie, missie en strategie. Zonder visie, zegt Bacilio beeldend, loopt een land ‘als een kip zonder kop’, omdat het niet weet waar het naartoe gaat. Ook eigenschappen die hij bij Tula ziet – compassie, spiritualiteit, mensgerichtheid en het vermogen mensen achter een gemeenschappelijk doel te krijgen – herkent hij onvoldoende in het hedendaagse politieke leiderschap.

Daarmee krijgt de jaarlijkse verering van Tula een confronterende dimensie. Tula eren is relatief eenvoudig. Regeren volgens de eigenschappen die hem tot leider maakten, is iets anders.

Nederland moet repareren, Curaçao moet weten wát

Maar Bacilio legt de verantwoordelijkheid voor de huidige situatie niet uitsluitend bij Curaçao. De Nederlandse excuses voor het slavernijverleden moeten volgens hem worden gevolgd door daadwerkelijke reparatie. Maar hij waarschuwt tegelijkertijd dat Curaçao niet simpelweg geld moet vragen zonder zelf een doordacht plan te hebben.

Het eiland zou volgens hem een omvangrijk ‘Plan Maestro’, een masterplan moeten opstellen waarin concreet wordt vastgelegd welke achterstanden moeten worden aangepakt. Hij noemt onder meer onderwijs, gezondheidszorg, wijken, woningen en infrastructuur.

Zijn boodschap aan Nederland is in essentie: stop niet zomaar geld in onze zak, maar draag bij aan een Curaçaos plan waarmee structurele achterstanden worden weggewerkt. Daar ligt tegelijkertijd een pijnlijke verantwoordelijkheid voor Curaçao zelf.

Want, als Nederland herstel heeft toegezegd, waar is dan het Curaçaose masterplan? Bacilio stelt die vraag zelf wanneer hij over de achterstanden in de wijken spreekt: “Unda nos ta ku nos Plan Maestro?” Waar staan wij met ons masterplan? Herstel kan daarmee niet uitsluitend als Nederlandse verantwoordelijkheid worden gepresenteerd. Nederland kan middelen beschikbaar stellen, maar Curaçao moet zelf definiëren wat herstel inhoudt, prioriteiten bepalen en duidelijk maken welk land het over tien, twintig of dertig jaar wil zijn. Juist daar komt Bacilio opnieuw uit bij zijn fundamentele kritiek: het ontbreken van visie.

Emancipatie kan niet betekenen: afhankelijk blijven

Voor APKI is emancipatie uiteindelijk meer dan economische vooruitgang of kennis van het slavernijverleden. “Emansipashon ta nifika ku bo mes ta tuma rienda di bo pais den bo man”, zegt Bacilio: emancipatie betekent dat je zelf de teugels van je land in handen neemt.

Een geëmancipeerde bevolking is volgens hem niet ondergeschikt, gelooft in zichzelf, maakt eigen keuzes en aanvaardt ook de consequenties daarvan. Maar hij ziet op Curaçao nog te veel afhankelijkheid en volgzaamheid.

Vervolgens trekt hij de politieke consequentie die in het huidige Curaçaose debat veel minder vaak hardop wordt uitgesproken. Volgens Bacilio is autonomie binnen het koninkrijk uiteindelijk onvoldoende. Zolang Nederland doorslaggevende invloed houdt, kan Curaçao volgens hem niet spreken van volledige emancipatie.

Zijn conclusie is ondubbelzinnig: “Emansipashon ta nifika independensia.” Emancipatie betekent onafhankelijkheid. Hij verwijst naar Curaçaoënaars die onafhankelijkheid of soevereiniteit nadrukkelijk op de politieke en maatschappelijke agenda hielden, onder wie Angel Salsbach, Joceline Clemencia, Helmin Wiels, Frank Martinus Arion, Eugene Godfried en Richard Hooi. Volgens Bacilio is dat debat grotendeels verstomd.

Reparatie als voorbereiding op zelfstandigheid

Opvallend is dat Bacilio herstelbetalingen en onafhankelijkheid niet als twee losstaande onderwerpen beschouwt. Integendeel. Juist nu Nederland verantwoordelijkheid heeft erkend en herstel wil ondersteunen, ziet hij een mogelijkheid om Curaçao sterker te maken. Reparatie zou volgens hem niet moeten leiden tot een nieuwe vorm van financiële afhankelijkheid, maar moet worden gebruikt om achterstanden weg te werken en het eiland beter voor te bereiden op zelfstandigheid.

Dat maakt zijn redenering tegelijk uitdagend: Nederland moet helpen de gevolgen van zijn koloniale en slavernijverleden te herstellen, maar het uiteindelijke doel daarvan zou juist moeten zijn dat Curaçao Nederland steeds minder nodig heeft.

Op onze vraag of Bacilio gelooft dat dit nog mogelijk is, verwijst hij naar de geest van vrijheidsstrijders en activisten als Tula, Felix Chacuto, Medardo de Marchena, Amador Nita en Helmin Wiels. Nieuwe leiders bestaan volgens hem wel degelijk, maar zijn nog niet naar voren gekomen.

Veertig jaar later wacht de moeilijkste strijd

Na veertig jaar kan APKI terugkijken op tastbare resultaten. De opstand van 1795 heeft een prominentere plaats gekregen in het collectieve geheugen. Tula is van veroordeelde opstandeling uitgegroeid tot erkende held. Er zijn monumenten, herdenkingen, boeken, theaterproducties en meer maatschappelijke aandacht voor het slavernijverleden.

Maar misschien legt juist dat jubileum bloot hoeveel werk nog niet is gedaan. Voor Bacilio is duidelijk wat het eindpunt is: een Curaçao dat zijn historische achterstanden heeft aangepakt, zijn bevolking intellectueel en mentaal heeft versterkt, leiders voortbrengt met visie en missie, en uiteindelijk zelf eigenaar wordt van zijn politieke toekomst.