Staat de Bonairiaanse identiteit onder druk?
KRALENDIJK – Bonaire groeit in hoog tempo, steeds meer mensen van buiten vestigen zich op het eiland. De Bonairiaan is inmiddels in de minderheid en andere talen en culturen winnen rap terrein. Het Caribisch Netwerk sprak met bijna twintig Bonairianen over deze ontwikkelingen. Hoe ervaren zij de veranderingen op hun eiland? Zijn ze bang hun cultuur en identiteit te verliezen?
Elke dag als ik naar huis rijd, wordt mijn aandacht getrokken door een groot bord in de voortuin van een huis in de wijk Nort’i Salinja. ‘1863 slavernij afgeschaft’ staat erop, met daaronder in hoofdletters: ‘Veel Minder Makamba’ (‘makamba’ is een veelgebruikte benaming voor een Nederlander uit Europees Nederland). Een bord dat je weer even bewust maakt van je positie als Nederlander op Bonaire, iets waar ik me toch al vaak ongemakkelijk over voel. Jarenlang was ik benieuwd: wie wonen er in dat huis? En wat beweegt mensen ertoe om zo’n bord in de tuin te plaatsen? Voor deze artikelenserie besloot ik daar eindelijk achter te komen.
Via via achterhaal ik het telefoonnummer van de bewoner, Felipe ‘Chago’ Melaan (63) en ik benader hem voor een gesprek. Hij reageert meteen en stemt in met het interview, maar onder één voorwaarde: dat wordt opgeschreven wat hij zegt, en niet wat de journalist wil opschrijven.
Het ‘veel minder makamba’ bord in Nort’i Salinja. Foto’s Deborah Bremmer
Weerstand
Als ik aankom bij zijn okergele blokhuis met muurschilderingen van indianen, zit meneer Melaan op een plastic stoel in de wat kale tuin. Hij heeft een Bonaire-shirt aan en een pakje shag op schoot. Melaan groet me half, duidelijk met tegenzin, maar gebiedt me plaats te nemen op de stoel tegenover hem. De moed die ik had verzameld voor dit interview begint me een beetje in de schoenen te zakken. Als Nederlandse journalist op Bonaire stuit ik wel vaker op weerstand, maar zo evident was het nog niet eerder.
“Ik heb dit vaker gedaan en veel journalisten schrijven niet wat ik zeg. Schrijven vind ik gewoon gezeik,” zegt Melaan. Hij voelt er ook weinig voor dat ik foto’s wil nemen. “Iedereen weet toch wel wie ik ben. Wie kent dit bord niet?” Hij vertelt dat het al zo’n achttien jaar in zijn tuin staat.
Ik vraag wat de aanleiding was om het bord te plaatsen. “Ja, waarom plaatst iemand een bord…” Melaan steekt een sigaret op. Zijn telefoon blijft open voor hem op tafel liggen. Af en toe werpt hij er een blik op. “Nog één ding trouwens: ben je wel écht van de krant? Want ik heb ook gehad dat iemand hier kwam en de volgende dag stond de politie op de stoep. Achterbakse mensen, ze proberen me bang te maken, zodat ik m’n mond niet meer opentrek. Maar ik ben niet bang en schuif mijn mening niet onder stoelen of banken.”
Uiteindelijk beantwoordt hij mijn vraag met één woord: kolonialisme. “Het is kolonialisme wat Nederland hier doet.” Hij verwijst naar de definitie van kolonie in de Dikke Van Dale. “Heb je dat ooit geleerd? Er staat als definitie: het overnemen van een land en dat land tot kolonie maken. Ik stel je nu een vraag: wie bepaalt op dit eiland? Zeg het maar gewoon: dat is Den Haag.”
Als ik begin over de lokale overheid, maakt hij een vergelijking met de slavernij. “Toen de Nederlanders hier slaven hielden, had je ook iemand hier, een slaaf, die de andere slaven sloeg. Dat deed de Nederlander niet zelf. Nederland doet aan verdelen en heersen. Sinds 10-10-’10 zijn we een kolonie, maar niemand durft het te zeggen. Je kunt het beestje een andere naam geven – ‘bijzondere gemeente’ – maar dat is allemaal onzin.”
Nederland
Na aanvankelijk veel weerstand en gescheld begint Melaan nu inhoudelijk op dreef te komen. “In het Handvest van de VN is opgenomen dat er nooit meer een kolonie zou komen.” Daar houdt Nederland zich volgens hem niet aan. “Ja, maar…”, begin ik. “Ja, maar, altijd die ‘maar’ van de Nederlanders, daar heb ik een schijthekel aan, weet je dat? Als ik iets zeg, en je antwoordt met ‘maar’, wat is dan het nut van ons gesprek?”
Ik probeer voorbeelden van hem te krijgen. Hoe heeft hij in zijn dagelijks leven last van de aanwezigheid van Nederlanders op zijn eiland? Maar Melaan komt steeds terug op dat ene woord: kolonialisme. “Dat is de kern,” zegt hij vastbesloten, en hij steekt een volgende sigaret op.
Langzaamaan wordt hij iets vriendelijker, merk ik. Waar hij eerst grof taalgebruik hanteert, begint hij zichzelf te corrigeren. “Veel mensen zien niet dat ze hier shit te zeggen hebben, ik bedoel, dat ze hier niets te zeggen hebben. ‘Shit’ kun je misschien niet opschrijven,” zegt hij. Het wordt me duidelijk dat het Melaan niet zo zeer gaat om de impact van de invloed die de Nederlanders volgens hem op Bonaire hebben, maar vooral om het principe.
“We hebben het recht om zelf ons eiland te besturen, om vrij te zijn en om onze eigen richting te bepalen. Het gaat er niet om of Nederland ook positieve veranderingen brengt. Het is allemaal de nasleep van een tijd van kolonialisme en er is niets dat dit goed kan praten. Wij zijn derderangsburgers met een Nederlands paspoort als koloniale erfenis. De taal die wij nu spreken is een koloniale erfenis.”
Ik vraag Melaan of hij vooral moeite heeft met Nederlanders die op Bonaire komen wonen, of bijvoorbeeld ook met de Curaçaoënaars en mensen uit Latijns-Amerika. “Ik heb moeite met iedereen die hier komt wonen. Of nee, ik heb er zelf geen moeite mee, maar het wordt een probleem voor het eiland. De wereld is van iedereen, maar als je hier wilt komen wonen, moet je je aanpassen. Ik heb er moeite mee dat Nederlanders hier willen dat wij ons aan hen aanpassen. Dat vind ik hypocriet, want als wij in Nederland zijn, moeten we ons ook aan hen aanpassen.”
Hij vertelt een anekdote over zijn Nederlandse overbuurvrouw. “Elke zondag zet ik mijn stereo-installatie buiten en speel ik muziek van negen uur ‘s ochtends tot een uur ‘s nachts. Sommige buren missen het zelfs als ik dat niet doe. Maar deze vrouw kwam klagen dat ze last had van de muziek. Dan denk ik: ‘Ik heb last van jou, ga terug naar Nederland!’”
Volgens Melaan moeten Nederlanders de Bonairiaanse cultuur leren kennen om zich te kunnen aanpassen. Die cultuur zit volgens hem in de muziek, het eten, hoe mensen zich gedragen, de klederdracht en de taal. Hij omschrijft het als: ‘Lang leve de vrijheid’ en ‘geen gezeik.’
‘Mijn strijd voor Bonaire’
Ik vraag hem hoe andere Bonairianen reageren op zijn bord en zijn strijd. Heeft hij het idee dat hij de stem van de meeste Bonairianen vertolkt? “Dat maakt me niet zoveel uit, want het hele systeem is corrupt. Maar dit is mijn strijd voor mijn Bonaire. Ik ben geboren en getogen in Nort’i Salinja, ik kan me niet voorstellen dat ik ergens anders zou wonen.” Hij omschrijft zichzelf dan ook als een bezorgde bewoner van Nort’i Salinja. ”Maar weet je hoe ze me hier noemen?” vraagt hij glunderend. “De mensen zeggen: ‘Kijk, daar loopt Chago ‘Veel Minder Makamba’ Melaan!’ Want ik ben de enige die dat durft te zeggen, net als Wilders.” Daarmee refereert hij naar de rechtse Nederlandse politicus Geert Wilders (PVV) die bekendstaat om zijn uitspraak ‘Veel minder Marokkanen’.
Plotseling ontdekken we iets wat we gemeen hebben, wat direct een brug slaat: we hebben allebei in Groningen gewoond. “In mijn tijd kwam ik jou nog niet tegen in de Drie Gezusters (Grand Cafe in Groningen), toen lag jij nog in de luiers.” Melaan lacht uitbundig. Dan raakt hij afgeleid door een buurman die langsloopt en steekt hij de zoveelste sigaret op. Ik breng hem nog even terug naar het onderwerp van ons gesprek.
“Er wordt veel gepraat over klimaatverandering. Maar weet je wat het grote probleem is op Bonaire? Cultuurverandering,” zegt hij stellig. “Heb je nu een idee hoe ik denk?” Inmiddels zijn we op het niveau dat hij me een nickname geeft. “Als iedereen zo denkt als ik, zou de wereld er een stuk beter uitzien, of niet, Debbie?”
Zonder dat ik erom hoef te vragen, vat Melaan ons gesprek nog even samen. “De kern is: kolonialisme. Laat de mens in zijn waarde. Je hebt vast wel gehoord van reggaezanger Bob Marley. Zijn collega Peter Tosh zong: ‘Iedereen streeft naar vrede, maar niemand heeft het over gerechtigheid. Als je streeft naar gerechtigheid, dan komt vrede vanzelf.”
Ik rijd met een goed gevoel weg bij Melaan en zijn bord. Als ik omkijk, staat hij alweer met een buurman te kletsen. Wel blijf ik achter met veel vragen. Ik mis concrete voorbeelden en argumenten, maar tegelijkertijd: kan een gevoel niet ook valide zijn zonder de argumenten daarvoor goed onder woorden te kunnen brengen? Ook vraag ik me af op welke manier mijn Nederlands-zijn het gesprek beïnvloed heeft, want ik twijfel er niet aan dát het dat heeft.
Als ik wegrijd staat Melaan alweer te praten met een buurman.
Als Nederlandse journalist ben ik zelf onderdeel van precies de dynamiek waar Melaan het over heeft: ik ben degene die naar zijn eiland kwam, die zijn verhaal optekent, die uiteindelijk bepaalt wat er wel en niet in dit artikel terechtkomt. Ook al probeer ik zo dicht mogelijk bij zijn woorden te blijven. Ik heb geen sluitend antwoord op de vraag of wat er op Bonaire gebeurt kolonialisme kan worden genoemd. Wel weet ik dat deze vraag mij, zolang ik hier woon, bezig zal blijven houden.
Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (fondsbjp.nl)

