De discussie over toerisme op Aruba wordt vaak teruggebracht tot de slogan ‘No More Hotels’. Maar tegenwoordig gaat het debat over veel meer dan alleen nieuwe hotelkamers. In deze vierdelige onderzoeksserie onderzoekt het Caribisch Netwerk hoe Aruba uitgroeide tot één van de meest toeristische bestemmingen van het Caribisch gebied, welke economische afhankelijkheid daardoor is ontstaan, welke maatschappelijke gevolgen inmiddels zichtbaar worden en welke keuzes de komende jaren op tafel liggen.
Deel 1: De toeristische belofte

Op papier telt Aruba ongeveer 125.000 inwoners. Maar volgens berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek Aruba (CBS), gebaseerd op de Tourism Equivalent Population, verbleven er in 2025 op een gemiddelde dag nog eens bijna 31.000 toeristen op het eiland. Over het hele jaar verwelkomde Aruba ruim 1,5 miljoen verblijfstoeristen en bijna een miljoen (970.803) cruisepassagiers. Op een doorsnee dag bestond daarmee ongeveer één op de vijf mensen op Aruba uit bezoekers. Hoe is Aruba op dit punt gekomen?
Na de Lago
Halverwege de jaren tachtig bevond Aruba zich op een economisch keerpunt. Sinds 1924 had de Lago Oil & Transport Company, eigendom van de Amerikaanse oliemaatschappij Exxon, de economische ontwikkeling van het eiland bepaald. De olieraffinaderij bood werk aan duizenden Arubanen en vormde decennialang het hart van de economie op het eiland.

Het personeel verlaat de Lago-olieraffinaderij in San Nicolas op Aruba (Willem van de Poll, 1947, Nationaal Archief)
Maar negen maanden voordat Aruba op 1 januari 1986 de Status Aparte kreeg, sloot de Lago-raffinaderij haar deuren. Historicus Adi Martis vertelt in gesprek met het Caribisch Netwerk dat de economische impact enorm was. Ongeveer acht procent van de beroepsbevolking werkte bij de olieraffinaderij. Zo’n 1.300 mensen verloren direct hun baan, terwijl nog eens 6.000 tot 7.000 banen indirect afhankelijk waren van Lago. Het bedrijf vertegenwoordigde bovendien ongeveer dertig procent van het Arubaanse bruto binnenlands product (bbp) en betaalde een vergelijkbaar aandeel van de inkomstenbelasting.
“De economische situatie leek desastreus”, zegt Martis. Juist op het moment dat Aruba meer bestuurlijke verantwoordelijkheid kreeg, viel een belangrijk deel van de economie weg. Toch verliepen de eerste jaren anders dan veel economen hadden verwacht, stelt hij. De kersverse premier van het land Aruba, Henny Eman (AVP), zette niet alleen in op bezuinigingen en fiscale maatregelen, maar koos er tegelijkertijd voor de toeristische sector versneld uit te bouwen. Tussen 1986 en 1991 verdubbelde het aantal hotelkamers. Volgens econoom en stedenbouwkundige Sam Cole werden tussen 1985 en 2000 ongeveer tien nieuwe hotels met zo’n 4.000 extra kamers gebouwd. Tegelijkertijd groeide ook de bevolking snel. CBS-cijfers laten zien dat de jaarlijkse bevolkingsgroei tussen 1990 en 1993 schommelde tussen 4,5 en 8,3 procent. Volgens Cole hing die groei samen met de vraag naar arbeidskrachten voor de snel uitbreidende toeristische sector.
Grenzen aan de groei
Maar de discussie over de grenzen van die groei begon al veel eerder. Al in 1977 benadrukte de Arubaanse regering dat de toeristische ontwikkeling niet onbeperkt kon doorgaan. Uit notulen blijkt dat gedeputeerde van Toerisme, Caspar Boekhoudt (MEP), in de Eilandsraad bekendmaakte dat het Bestuurscollege in principe had besloten een moratorium op extra hotelkamers in te stellen. Daarbij wees hij op de verhouding tussen het aantal toeristen en hotelkamers, de capaciteit van de infrastructuur en de extra werkgelegenheid die nieuwe hotels zouden vragen. Tegelijkertijd stelde hij dat Aruba zijn optimale groeipunt nog niet had bereikt. Verdere uitbreiding moest volgens hem geleidelijk verlopen en worden ondersteund door onderzoek. Daarnaast pleitte hij voor economische diversificatie, onder meer via de ontwikkeling van nieuwe industrieën en de vrije zone.

Het Concorde Hotel in 1986. Het hotel kreeg later de naam Wyndham Aruba Resort en is tegenwoordig Hotel Riu Palace Antillas. (BNA Postcard Collection)
De gedachte om de groei van de hotelsector te begrenzen, bleef daarna terugkeren in het toerismebeleid, stelt Martis. Zo kondigde Eman in 1988 aan dat de regering onderzocht of na de verdubbeling van de hotelcapaciteit een tijdelijke bouwstop noodzakelijk zou zijn. Later dat jaar besloot zijn kabinet een moratorium in te voeren en de belastingfaciliteiten voor hotels, timeshares en restaurants stop te zetten. Een jaar later schreef de regering van premier Nelson Oduber (MEP) in het eerste nummer van Noticiero Aruba dat een gezonde economie niet op één pijler kon rusten en dat, naast de verdere ontwikkeling van het toeristische product, een moratorium op de bouw van nieuwe hotels noodzakelijk was. De minister van Economische Zaken en Toerisme destijds, Eddy Briesen (MEP), verklaarde eind 1990 bovendien dat Aruba een jaar eerder al een moratorium had afgekondigd. Ook uit een rechtszaak uit 1992 blijkt dat een bouwstop al sinds juni 1988 van kracht zou zijn geweest.
Uit archiefstukken en officiële beleidsdocumenten blijkt dat opeenvolgende Arubaanse regeringen het moratorium jarenlang als beleidsinstrument hanteerden. Maar een wettelijke basis ontbrak. Zo schreef de Nederlandse regering in 1997 dat Aruba had toegezegd een wettelijk moratorium in te voeren, maar dat die toezegging nog niet was nagekomen, terwijl het moratorium feitelijk wel van kracht was. Pas in 2018 werd een moratorium voor het eerst juridisch verankerd via een voorbereidingsbesluit op grond van de Landsverordening Ruimtelijke Ontwikkeling. Ook die regeling liet ruimte voor uitzonderingen, onder meer voor ontwikkelingen in San Nicolas en later voor specifieke projecten in onder andere Oranjestad.

ROPV-kaart waarin de toeristische zone in roze te zien is.
Ruimte maken voor toerisme
Voor de groei van het toerisme werd Aruba ook anders ingericht. Begin jaren tachtig werkte de regering aan plannen die bepaalden waar hotels konden worden gebouwd en hoe de westkust zich als toeristisch gebied moest ontwikkelen. Samen met econoom en stedenbouwkundige Sam Cole werd gewerkt aan ‘Planning an Independent Future’, een ontwikkelingsvisie waarin toerisme werd aangewezen als één van de belangrijkste pijlers voor de toekomstige economie. Die visie werd uitgewerkt in het ‘Physical Development Plan’ van 1981 en het ‘Aruba Tourism Development Plan’ in 1983.
Tegelijkertijd waarschuwde Cole dat een kleine eilandeconomie kwetsbaar blijft wanneer zij te afhankelijk wordt van enkele economische sectoren. Hij pleitte daarom voor economische diversificatie en benadrukte dat verdere groei planmatig moest verlopen.
De regering wees de westkust aan als het gebied waar de verdere groei van het toerisme moest plaatsvinden. Langs de kust ontstond een toeristische corridor van Oranjestad tot California Point, waar nieuwe hotels, infrastructuur en recreatieve voorzieningen werden geconcentreerd. Tegelijkertijd moest volgens het plan de open ruimte behouden blijven en de publieke toegang tot de stranden worden gewaarborgd.

De ontwikkelingsplannen in beeld (Aruba Tourism Development Plan 1983)
Om ruimte te maken voor de nieuwe hotelzone werd de L.G. Smith Boulevard op delen van de westkust landinwaarts verlegd. Daardoor ontstonden negentien nieuwe percelen direct aan zee die geschikt werden gemaakt voor grootschalige hotelontwikkeling. De aanleg van hotels ging gepaard met investeringen in wegen, waterleidingen en rioleringsvoorzieningen.
Palm Beach versus Eagle Beach
De stranden Palm Beach en Eagle Beach kregen daarbij bewust een verschillend karakter. Palm Beach werd aangewezen voor hoogbouw en grootschalige resorts , de zogeheten high-rise hotels, terwijl Eagle Beach juist zijn kleinschalige karakter moest behouden met laagbouw (low-rise hotels). Die keuze ging verder dan verschillende hoteltypen. Voor Palm Beach voorzag het plan een stedelijker karakter met hoogbouw langs een brede boulevard, terwijl Eagle Beach juist een lagere bebouwingsdichtheid, meer groen en meerdere openbare verbindingen naar het strand moest behouden.
Het eerste luxehotel van Aruba, het Aruba Caribbean Hotel op Palm Beach, in 1962. Tegenwoordig is dit het Hilton Aruba Caribbean Resort & Casino. (BNA Postcard Collection)
Strand moest publiek blijven
Vanaf de inrichting van de Tourism Corridor was publieke toegang tot de kust een uitgangspunt. Op de ontwerpkaarten werden daarom meer openbare verbindingen van de boulevard naar het strand ingetekend.
Manchebo Beach (Melissa Stamper)
Dat uitgangspunt werd later ook vastgelegd in richtlijnen voor de inrichting en het gebruik van de stranden. De Richtlijn Ruimtelijke Inrichting Stranden (RRIS) legde onder meer openbare doorgangen, vrije stroken langs de waterlijn en regels voor strandvoorzieningen vast. Wat begon als een antwoord op de economische gevolgen van de sluiting van Lago groeide in de jaren daarna uit tot de belangrijkste economische pijler van Aruba. Tegelijkertijd bleef de vraag terugkomen hoe ver die groei kon doorgaan.
De toeristische koers die Aruba in de jaren tachtig inzette, bepaalde voor lange tijd de economische ontwikkeling van het eiland. Wat die keuze Aruba heeft opgeleverd en hoe afhankelijk de economie inmiddels van toerisme is geworden, staat centraal in het tweede deel van deze serie.
Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten


