Wat zijn uitspraken blootleggen over de werkelijkheid achter het toeristische paradijs van Curaçao
Toen Johan Derksen onlangs verklaarde dat hij nooit meer op vakantie naar Curaçao zal gaan, waren de reacties voorspelbaar. Sommigen haalden hun schouders op. Anderen voelden zich beledigd. Weer anderen zagen het als een typisch Derksen-commentaar: provocerend, ongenuanceerd en bedoeld om discussie uit te lokken.
Maar los van zijn persoonlijke voorkeuren over hitte, wind en zijn drukke werkschema tijdens de opnames van Vandaag Inside, maakte Derksen ook opmerkingen die een bredere maatschappelijke discussie verdienen.
Hij wees op de zichtbare tegenstelling tussen armoede en rijkdom op Curaçao. Volgens hem leeft een aanzienlijk deel van de bevolking onder de armoedegrens, terwijl tegelijkertijd luxe woningen, exclusieve resorts, dure auto’s en prestigieuze projecten steeds prominenter aanwezig zijn. Hij omschreef Curaçao zelfs als een eiland dat dreigt uit te groeien tot een ‘patsereiland’.
De eerste vraag is eenvoudig.
Heeft Johan Derksen het recht om Curaçao niet als vakantiebestemming te kiezen?
Natuurlijk.
Iedereen heeft het recht zijn vakantie door te brengen waar hij zich het prettigst voelt. Als iemand liever kiest voor een andere bestemming vanwege het klimaat, de omgeving, de rust of persoonlijke voorkeuren, dan is dat zijn goed recht. Derksens keuze om niet terug te keren naar Curaçao is daarom geen maatschappelijke kwestie, maar een persoonlijke keuze.
Interessanter wordt het wanneer we kijken naar zijn maatschappelijke observaties.
Op één belangrijk punt raakt Derksen namelijk een gevoelige snaar.
Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek Curaçao leeft een aanzienlijk deel van de Curaçaose huishoudens onder de armoedegrens. Voor veel gezinnen blijven stijgende kosten van levensonderhoud, huisvesting, energie en dagelijkse boodschappen een voortdurende uitdaging.
Wanneer Derksen wijst op de tegenstelling tussen zichtbare luxe en aanhoudende armoede, benoemt hij dus een realiteit die ook binnen Curaçao zelf regelmatig onderwerp van debat is.
Maar dat betekent niet automatisch dat zijn volledige analyse juist is.
De vraagstukken die hij aanraakt zijn immers niet nieuw.
Al jarenlang verschijnen in lokale kranten, radioprogramma’s, televisie-uitzendingen en politieke debatten discussies over:
• de toegankelijkheid van stranden en baaien;
• de privatisering van waardevolle kustgebieden;
• belastingvoordelen voor grote investeerders;
• de mate waarin economische opbrengsten op Curaçao blijven;
• het gebruik van buitenlandse arbeidskrachten bij grote projecten;
• de beschikbaarheid van betaalbare woningen;
• en de handhaving van bouw- en ontwikkelingsvoorschriften.
Dit zijn geen onderwerpen die Johan Derksen heeft ontdekt. Het zijn vraagstukken die al jarenlang leven binnen de Curaçaose samenleving.
Tegelijkertijd zou het onjuist zijn om alle buitenlandse investeerders, ondernemers of nieuwe inwoners over één kam te scheren.
Velen investeren oprecht in Curaçao, creëren werkgelegenheid, ondersteunen maatschappelijke initiatieven en dragen bij aan de economische ontwikkeling van het eiland. Zonder investeringen zou een groot deel van de huidige economische activiteit eenvoudigweg niet bestaan.
Maar juist daarom blijft de centrale vraag relevant:
Wie profiteert uiteindelijk van die ontwikkeling?
Hoeveel van de gecreëerde rijkdom blijft daadwerkelijk op Curaçao?
Hoeveel kansen ontstaan er voor lokale ondernemers, vakmensen en jongeren?
Hoe zorgen wij ervoor dat economische groei niet alleen zichtbaar wordt in gebouwen, resorts en vastgoedprijzen, maar ook in de levenskwaliteit van de bevolking?
Dat zijn vragen die veel verder gaan dan de mening van één televisiepersoonlijkheid.
Misschien schuilt er echter nog een andere les in dit verhaal.
Wanneer een bestemming hoofdzakelijk wordt beleefd vanuit een strak werkschema, deadlines, voorbereidingen, opnames en lange ritten van afspraak naar afspraak, wordt het moeilijk om de ziel van een land werkelijk te ervaren. Curaçao is voor velen geen plek van haast, maar juist een plek om te vertragen. Een plek om langs de kust te wandelen, een gesprek aan te knopen met bewoners, de geschiedenis te ontdekken, de natuur te beleven en de cultuur te leren kennen.
Wie een eiland uitsluitend door de bril van werk bekijkt, ziet vaak een ander Curaçao dan degene die tijd neemt om het eiland te beleven.
Misschien geldt die les niet alleen voor Johan Derksen, maar voor ons allemaal.
In een tijd waarin werken, produceren en presteren vaak centraal staan, vergeten we soms dat leven meer is dan werk alleen. Tijd nemen om te observeren, te luisteren, te genieten en werkelijk aanwezig te zijn, kan een bestemming een heel andere betekenis geven.
Dat neemt niets weg van de maatschappelijke vragen die Derksen heeft opgeworpen. Integendeel. Die vragen verdienen aandacht. Maar een werkbezoek is niet altijd hetzelfde als een ontmoeting met een land.
Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste les van deze discussie.
Niet of Johan Derksen gelijk heeft.
Niet of hij ooit nog terugkomt naar Curaçao.
Maar of wij als samenleving bereid zijn eerlijk te kijken naar de uitdagingen die al bestaan, ook wanneer iemand van buitenaf ons daarop wijst.
Want wanneer economische groei zichtbaar is, maar een aanzienlijk deel van de bevolking nog steeds moeite heeft om rond te komen, dan verdient dat aandacht.
Niet omdat Johan Derksen het zegt.
Maar omdat het onze verantwoordelijkheid is.
Curaçao hoeft zichzelf niet te verdedigen tegenover Johan Derksen.
Curaçao moet zichzelf wel de vraag blijven stellen of de ontwikkeling die wij zien, ook daadwerkelijk leidt tot meer kansen, meer welvaart en meer perspectief voor de mensen die dit eiland hun thuis noemen.
Dat is uiteindelijk een veel belangrijkere discussie dan de vakantieplannen van een televisiepresentator.
Tico Vos, Nos Ke Sa