“Als ik een landbouwexpert uit Aruba nodig heb, kost het mij bijna net zoveel als een ticket naar Nederland,” zegt Maurice Adriaens, coördinator van LVV (Landbouw, Veeteelt en Visserij) Bonaire. “En nóg vreemder is het dat groente soms gemakkelijker van buiten de regio binnenkomt dan van een buureiland. Het is duur en ingewikkeld om dieren of producten tussen de eilanden te vervoeren.”
Toch ziet Adriaens dat de wil voor samenwerking groeit. De eilanden praten steeds vaker over gezamenlijke importregels en zelfs een eigen transportboot. “Uiteindelijk willen we bijvoorbeeld een eigen boot of twee boten hebben. Eén voor de benedenwindse eilanden, één voor de bovenwindse eilanden,” zegt hij.
Samenwerking op de eilanden
Drie jaar geleden startten Bonaire, Aruba, Curaçao, Sint Eustatius, Sint Maarten en Saba de Dutch Caribbean Agriculture, Livestock and Fisheries Alliance (DC ALFA). Het doel: meer voedselproductie, kennisuitwisseling en elkaar minder afhankelijk maken van import. “Het is eigenlijk absurd dat een eiland als Sint Maarten nauwelijks eigen groenteproductie heeft, terwijl Statia soms overschotten moet weggooien, omdat ze het met vierduizend inwoners niet op krijgen,” zegt Adriaens. “Dat moet anders.”
Die observatie wordt herkend op Sint Eustatius. Daar is landbouw opnieuw zichtbaar, al gebeurt het vooral naast ander werk. “De meeste boeren en vissers hebben fulltime banen en doen landbouw als hobby,” zegt Kimani Kitson-Walters, beleidsadviseur Landbouw, Natuur en Milieu van het Openbaar Lichaam Sint Eustatius.
Van Jamaica naar Statia
Kitson-Walters woont inmiddels ruim acht jaar op Statia. Hij komt uit Jamaica en promoveerde in mariene wetenschappen en biotechnologie. Jarenlang werkte hij als Data Monitoring Officer bij het Caribbean Netherlands Science Institute, waar hij dagelijks contact had met vissers.
“Als je van een eiland als Jamaica naar een nog kleiner eiland verhuist, ga je vanzelf nadenken over duurzaamheid,” zegt hij. “Op eilanden zijn hulpbronnen beperkt. Wat je kwijtraakt, komt niet terug.”
Die kwetsbaarheid ziet hij ook in de landbouw. Statia heeft vruchtbare vulkanische grond, maar landbouw is duur. “Zaden, machines, veevoer — alles moet geïmporteerd worden. Met vracht en belastingen betaal je soms tot tweehonderd procent bovenop de prijs.”
Toch verbouwen boeren tomaten, komkommers, zoete aardappelen, pompoen, watermeloen en kruiden. “Het is kleinschalig,” zegt Kitson-Walters, “maar er is weer beweging.”
Van geiten tot kennisdeling
Binnen DC ALFA leidt samenwerking steeds vaker tot concrete resultaten. Zo gaf een veespecialist van Aruba recent trainingen op Bonaire. Bonaire hielp Sint Eustatius bij het opstellen van nieuwe landbouwplannen. En toen Bonaire geiten nodig had, kwamen die uit Aruba — veel goedkoper dan import uit Europa.
“Transport vanuit Nederland kost zesduizend dollar,” zegt Adriaens. “Vanuit Aruba tweehonderd. Dat scheelt geld én dierenleed.”
Ook kennis stroomt onderling. “Wij hebben veel geleerd van Bonaire,” zegt Kitson-Walters. “Hoe zij boeren ruimte en begeleiding bieden. Dat model willen wij hier toepassen.” Andersom hielp hij Bonaire met datamonitoring. “Zo versterken we elkaar.”
Regels en logistiek als blokkade
Toch stuiten boeren en vissers op iets waar ze zelf niets aan kunnen veranderen: elk eiland heeft eigen importregels en inspecties. Dat maakt uitwisseling onnodig lastig. “Het is soms gemakkelijker om groente uit een land verderop binnen te krijgen dan van een buureiland,” zegt Adriaens.
Voor verse producten speelt ook logistiek een grote rol. “Je hebt gekoelde opslag nodig,” legt Kitson-Walters uit. “Maar er vaart maar één schip met koelcapaciteit, en dat meert aan de Franse kant van Sint-Maarten aan. Naar de Nederlandse haven is er geen gekoeld transport.”
Bovendien produceert Statia nog te weinig voor structurele export. “Daarom investeren we nu in waterputten, regenwateropslag, machines en een agroverwerkingsfaciliteit,” zegt Kitson-Walters. “Pas met een stabiel aanbod kun je concurreren.”
Sint Eustatius: van foodbasket tot verwoeste haven
De huidige problemen zijn volgens Adriaens en Kitson-Walters niet los te zien van het verleden. “Statia was ooit een foodbasket voor de regio,” zegt Adriaens. “In de achttiende eeuw werd hier voedsel geproduceerd voor andere eilanden.”
“Tijdens de koloniale periode was het hele eiland landbouwgrond,” vult Kitson-Walters aan. “Er woonden toen meer dan twintigduizend mensen. Nu zijn dat er ongeveer drieduizend.”
In die periode kende Sint Eustatius een economische bloeifase, maar die werd abrupt onderbroken. In 1776 was het eiland het eerste dat een Amerikaans schip salueerde en daarmee de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten erkende. Vijf jaar later, in 1781, viel een Britse vloot onder leiding van admiraal George Rodney het eiland aan. De haven werd geplunderd, goederen en wapens werden in beslag genomen. “Alles werd vernietigd, iedereen vluchtte,” zegt Adriaens.
Hoewel landbouw zich daarna deels herstelde, bleef het eiland kwetsbaar. Landbouw bleef bestaan tot de jaren zestig, toen de olieterminal banen bracht die beter betaalden en minder zwaar waren. “Vanaf dat moment werd landbouw iets voor erbij,” zegt Kitson-Walters. “Kennis verdween en import nam het over.”
Hoe koloniale geschiedenis nog steeds bepaalt wat we eten
Volgens Adriaens geldt dat patroon voor alle eilanden. “Kolonisators stimuleerden exportgewassen, zoals suikerriet en tabak, geen lokale voedselproductie. Afhankelijkheid was onderdeel van het systeem.”
Oud-docent en politiek commentator Arthur Sealy ziet die erfenis scherp terug op Bonaire. “Landbouw – in maïs, bonen en pinda’s – was hier lang puur om te overleven,” zegt hij. “Na de slavernij kregen mensen kleine stukken land, maar grote delen kwamen in handen van rijke families die exporteerden naar de omringende eilanden.”
Veel pogingen om nieuwe gewassen en producten te verbouwen, zoals tabak, katoen, dividivi (een boom waarvan de peulen werden gebruikt om leer te maken) en cochenille (een insect dat op cactussen leefde en een rode verfstof voor textiel gaf), mislukten door droogte, ziekten en een gebrek aan kennis. Daardoor bleef Bonaire afhankelijk van wat wél lukte. “Zout, geiten en aloë.”
Op Curaçao, waar markten en handel beter georganiseerd waren, hield landbouw langer stand. Arbeiders op Bonaire trokken weg naar Cuba, Suriname of Venezuela. “De vrouwen bleven achter, maar werkten traditioneel niet op het land,” vertelt Sealy. “Veel arbeiders werden ziek door bijvoorbeeld malaria en kwamen niet meer terug. Veel stukken land raakten in verval.”
Na de Tweede Wereldoorlog verschoof de economie verder richting industrie en toerisme. Landbouw werd minder belangrijk en onaantrekkelijk. “De animo is er niet,” zegt Sealy. “Toen ik nog lesgaf op school, merkten we het al. We hadden een landbouwproject en jongeren zeiden: ‘Nee meneer, ik ga echt niet in de zon werken.’ Het wordt geassocieerd met slavenwerk. Dat zit heel diep.”
Samen vooruitkijken
Toch groeit het besef dat voedselzekerheid begint bij eigen productie. Jaarlijks ontmoeten vertegenwoordigers van de zes eilanden elkaar tijdens de DC ALFA-conferentie. “Dit jaar konden van elk eiland een boer, visser en veehouder meekomen,” zegt Adriaens. “Je ziet dat het enthousiasme groeit, ook vanuit Nederland.”
Voor Kitson-Walters ligt de toekomst in samenwerking en innovatie. “Niet iedereen wil met een kapmes op het land staan,” zegt hij. “Maar technieken als hydroponics en aquaponics, waarbij planten zonder aarde op water worden gekweekt, spreken jongeren wél aan, want die vereisen minder werken in de volle zon en weersinvloeden.” Zijn boodschap: “Elk eiland moet zich specialiseren in een paar producten en die onderling verhandelen. Alleen zo worden we minder kwetsbaar.”
Adriaens knikt. “Het gaat erom dat we professioneel lokaal voedsel produceren, elkaar versterken en zo de voedselzekerheid vergroten, zodat we niet langer afhankelijk zijn van import. Dáár ligt de toekomst van onze eilanden.”